Nadert het einde voor de meest foute beleggingstaks?
De supernota van formateur Bart De Wever spreekt over een “eerlijker speelveld” in de fiscaliteit, met een meerwaardetaks op beleggingen van 10 procent. Houdt dat de afschaffing van de Reynderstaks van 30 procent in? Die treft nu de populairste belegging van de Belg: gemengde fondsen met obligaties en aandelen.
De taks die de naam kreeg van de toenmalige minister van Financiën, Didier Reynders (MR), werd in 2006 ingevoerd op beleggingsfondsen met een portefeuille van minstens 40 procent obligaties. Diverse aanpassingen in de daaropvolgende jaren maakten er een draak van. De toepassing van de Reynderstaks is zo ingewikkeld, dat veel beleggers te veel betalen. Wie zijn fonds verkoopt, kan een rekening gepresenteerd krijgen van 30 procent op alle inkomsten en meerwaarden die het fonds in zijn bezit ooit heeft gegenereerd. Dat kan teruggaan tot 2008 of zelfs 2005, voor de sloddervos die de aankoopdatum niet meer kan aantonen.
De Reynderstaks was eigenlijk een omzetting in Belgische wetgeving van een Europese spaarrichtlijn. De taks maakte een einde aan de situatie dat wie in een obligatiefonds belegde dat de intresten kapitaliseerde, geen roerende voorheffing (RV) moest betalen. Vanaf 2008 werden ook de eventuele meerwaarden meegeteld als basis voor de RV. Toen was dat nog aan een tarief van 15 procent, sinds 2017 is dat 30 procent.
Gesloten achterpoortje
Destijds zorgde minister Reynders er met een handigheidje voor dat enkel fondsen met een Europees paspoort aan de intrest- en meerwaardetaks onderworpen werden. Maar dankzij hem kon een grote groep fondsen van Belgische of Luxemburgse makelij wél nog altijd ‘gratis’ gekapitaliseerd worden. Dat was een cadeautje voor de Belgische en Luxemburgse banken en de Belgische goede huisvaders/beleggers.
Maar in 2013 kwam daar verandering in. Toenmalig premier Elio Di Rupo (PS) schafte het achterdeurtje af en voerde de toepassing in met vijf jaar terugwerkende kracht. Spaarders die zich veilig hadden gevoeld in zuiver Belgische fondsen, werden plots geconfronteerd met een berg latente belastingschuld.
Hoe correct berekenen?
Een van de grootste problemen met de Reynderstaks is de correcte vaststelling van de belastbare basis: hoeveel intresten heeft het kapitalisatiefonds ontvangen en hoeveel meerwaarden zijn er? Een meerwaarde op een obligatie ontstaat wanneer de rente zakt onder de rente bij aankoop. Er kunnen ook minwaarden zijn als het omgekeerde gebeurd.
Om de Reynderstaks correct te berekenen moet de beheerder van het fonds elke dag de zogenaamde ‘TIS’ bijhouden: de taxable income per share. Dus per dag de intresten en eventuele meer- en minwaarden. Natuurlijk zorgde dat voor problemen door de retroactieve invoering. Maar problematischer is dat veel fondsbeheerders, zeker de buitenlandse, geen zin hebben om die vervelende Belgische TIS bij te houden.
Om dat op te lossen mogen de banken, die de Reynderstaks voor de overheid innen, de belastingbasis ook forfaitair berekenen. Ze moeten dan bepalen hoeveel van het fonds in obligaties belegd is, bijvoorbeeld 50 procent. Dan rest nog te kijken naar de totale meerwaarde bij verkoop. In dit geval zal de bank op de helft daarvan de Reynderstaks inhouden.
Te veel betalen
Daardoor betaalt de belegger meestal te veel. Bijvoorbeeld doordat de meerwaarde op aandelen meestal belangrijker is dan op obligaties, waar vooral de intresten tellen. De fondsenbelegger betaalt dan onterecht een meerwaardebelastingen op het gedeelte in aandelen.
Bovendien zijn er gemengde fondsen waar de samenstelling aandelen/obligaties varieert. Wat is dan een correct percentage? Nog een heikel punt: de taks kan alleen ‘juist’ berekend worden als de aankoopdatum van het fonds bekend is. Als uw fonds overgedragen is naar een andere bank, moet u de aankoopdatum zelf bewijzen of zal de bank de taks heffen op de volledige meerwaarde sinds 1 juli 2005 (of 2008).
Resultaat: de argeloze belegger betaalt de rekening, want het komt vaak voor dat de bank of broker geen detailinformatie heeft of opzoekt en dus te veel taks afhoudt. We hebben zelf ooit een afrekening gezien van een zuiver aandelenfonds waar op de volledige meerwaarde 30 procent was afgehouden. Misschien nog het strafste: de bank beweerde na een klacht van de klant dat het juist was.
Voorzichtige huisvaders
Niet alleen het tarief van de Reynderstaks is tussen 2006 en 2017 in stapjes verdubbeld van 15 naar 30 procent, de opeenvolgende regeringen hebben ook het toepassingsgebied uitgebreid: nu vallen er zelfs gemengde fondsen onder met amper 10 procent obligaties. Ook ETF’s die (deels) in obligaties beleggen, zijn onderhevig aan de Reynderstaks. De Reynderstaks is bovendien dubbelop met de verhoogde beurstaks (bij verkoop) die eerder werd ingevoerd om kapitaliserende fondsen te treffen. Vandaag bedraagt die taks 1,32 procent op de volledige waarde van het fonds.
De Reynderstaks is niet de enige anomalie in de Belgische beleggingsfiscaliteit, maar treft in het bijzonder een groot aantal voorzichtige ‘huisvaders’. Wij, Belgen, hadden eind vorig jaar voor 164 miljard euro van de getroffen fondsen in portefeuille.
Ook voor obligatiefondsen die dividend uitkeren is bij verkoop de Reynderstaks op de meerwaarde van toepassing. Enkel wanneer in de statuten van het fonds voorzien is dat 100% van alle inkomsten van het fonds wordt uitgekeerd is de Reynderstaks niet van toepassing.
Heel juist Rudy, ook uitkerende obligatiefondsen en gemengde fondsen (vanaf 10% obligaties) zijn onderworpen aan de Reynderstaks. Behalve idd als in de staturen voorzien is dat 100% wordt uitgekeerd. Alles uitkeren is niet genoeg. Blijkbaar is dat uit het artikel gevallen, dank voor de aanvulling!