Gezocht: de heilige graal voor echte hangmatbeleggers
Beleggen via ETF’s of indextrackers is populairder dan ooit. Maar een handvol dominante megabedrijven maakt een goed gespreide portefeuille moeilijk. De oplossing? ETF’s die niet alleen kijken naar de beurswaarde.
Liefst 60 tot 70 procent van de wereldindex waarop veel ETF’s zich baseren, bestaat uit Amerikaanse aandelen. Prima zolang de Amerikaanse beurzen klimmen, maar wat als dat keert? Door te beleggen volgens diverse aandelenfactoren volgt u niet blind de beurswaardes op de markt, maar krijgt u een andere spreiding – en dat zou op de lange termijn zelfs een hoger rendement opleveren. Ideaal voor hangmatbeleggers die dat mooie woord gestand willen doen.
De professoren Eugène Fama en Kenneth French lagen ondertussen al zo’n vijftig jaar geleden aan de basis van de opdeling van aandelen volgens diverse factoren. Versta: volgens gemeenschappelijke eigenschappen, die de aandelen in zo’n groep op lange termijn gelijkaardige risico’s en rendementen bieden.
De factoren zijn altijd gebaseerd op cijfers: volgens resultaten, balansen en aandelenkoersen van de onderliggende bedrijven. Dat biedt als voordeel dat de selectie volledig of gedeeltelijk automatisch kan gebeuren. Men noem dat quant of kwantitatief beleggen.
De belangrijkste factoren die een hoger rendement bieden, zijn value (lage waardering), kwaliteit, kleine beurswaarden, momentum en lage volatiliteit.
Waarde (value) slaat op een lage waardering van het aandeel: dus lage koers/winst, lage koers/boekwaarde enzovoort. Goedkoop gewaardeerde aandelen brengen over heel lange periodes meer op dan de aandelen als geheel. Over de periode 1975 tot 2012 bedraagt de premie per jaar 0,4 procent.
De voorbije decennia bracht ‘waarde’ echter 0,5 procent per jaar minder op (bronnen: MSCI, Dimensional Fund Advisors, Bundesbank). Daarom ligt value vandaag erg onder vuur. Veel beleggers mijden nu deze categorie. Voorbeelden uit eigen land zijn Bekaert, Solvay, Ageas.
Kwaliteit: aandelen met een regelmatige winstgroei, een sterke balans en hoge marges. De definities verschillen. De beschikbare historische data zijn beperkt, maar in de periode 1995 tot 2020 leverde deze factor per jaar 3,4 procent meer op. Amerikaanse voorbeelden zijn Microsoft, J&J, Coca-Cola, Meta, Alphabet.
Kleinere beurskapitalisaties: aandelen met een beurswaarde van minder dan 1 tot maximaal 10 miljard euro, de grenzen verschillen. Deze factor leverde in het verleden gemiddeld de grootste premie op. Van 1975 tot 2012 brachten kleine aandelen 3,3 procent per jaar meer op. Van 1975 tot 1990 zelfs 7,1 procent meer! Het voorbije decennium brachten smallcaps echter minder op dan grote aandelen. Daarom zijn smallcaps (en de vele kleine aandelen op de beurs van Brussel) vandaag niet populair.
Momentum: Dit zijn de aandelen die in een recente periode sterker stegen dan de markt. Die aandelen hebben de neiging het daarna nog langer goed te doen. Tot het eindigt en ze uit de gratie vallen. Deze factor was de voorbije decennia de best presterende (van 2011 tot 2020: 4 procent per jaar premie).
Opgelet: de meeropbrengst die deze vier verschillende factoren opleveren, geldt alleen gemiddeld en op heel lange termijn. Er zijn vele periodes dat deze factoren net (veel) zwakker presteren. Daarom kunnen factorpremies blijven bestaan, want mocht het op korte termijn meer voorspelbaar zijn, zou iedereen dit toepassen en zou er ook op lange termijn geen extra opbrengst meer zijn.
Multifactorstrategie
Beleggers zouden geen beleggers zijn als ze hier geen oplossing voor vonden: de onvoorspelbare periodes kunnen deels opvangen worden door een multifactorstrategie, met een aandelenportefeuille die voldoet aan verschillende factoren tegelijk.


Hoe gaat dat in de praktijk? We vergelijken de gewone ETF-tracker op de wereldindex MSCI met de drie grootste multifactor ETF’s, met als basis dezelfde wereldindex (zie grafiek en tabel).
Deze ETF’s bestaan nog geen tientallen jaren en dus is het te vroeg voor een definitieve conclusie. Toch is het opvallend dat twee op de drie van de multifactor wereld ETF’s zowel op een periode van een, vijf en tien jaar regelmatig een hoger rendement boeken dan de gewone wereld ETF.
Dat is des te opvallender omdat elk van de drie grootste multifactor-ETF’s de factor value (waarde) volgt, terwijl die categorie de voorbij jaren veel zwakker presteerde dan de markt. Deze drie ETF’s toetsen de aandelen echter ook af aan nog minstens twee andere factoren: die van momentum en kwaliteit. Zo krijgen alleen laag gewaardeerde aandelen een goede plaats als de bedrijven toch behoorlijke resultaten boeken en het aandeel goed presteert. Twee van deze drie multifactor-ETF’s bevoordelen ook aandelen met een kleine beurswaarde boven de grote.
De L&G Gerd Kommer ETF weegt de diverse landen volgens hun bbp, waardoor de enorme beurskapitalisatie van de VS verminderd wordt. Amerikaanse aandelen wegen zo ‘maar’ 44 procent, terwijl de tien grootste aandelen maar goed zijn voor 9 procent van de ETF-portefeuille. In de ETF van Invesco springt alleen Nvidia er met een gewicht van 6,8 procent bovenuit, de nummers twee en drie, Booking Holdings en Cisco, tellen maar voor 2,7 procent. Door rekening te houden met waardering wegen mega-aandelen zoals Apple, Meta en Amazon minder zwaar in de portefeuille.
Het belangrijkste nadeel van de multifactor-ETF’s is dat ze met jaarlijkse kosten van 0,3 tot 0,5 procent wat duurder zijn dan de 0,2 procent voor een ETF op een gewone wereldindex. Dat komt omdat de portefeuille meestal vier keer per jaar herbekeken wordt, terwijl een gewone index automatisch de dagelijkse beurswaarde volgt.
Bedankt Jan voor de mooie uiteenzetting. Ik denk dat je wel gelijk hebt dat er teveel dezelfde Amerikaanse aandelen zitten in vele van mijn ETF’s. Daarom is het een goed idee om mijn ETF’s in mijn portefeuille nader te bekijken en aan te passen.
Merci Jan
Weer iets bijgeleerd, dankuwel Jan!
Dank om te delen Jan ! Dit is helemaal waar ik naar op zoek ben. Ik had al wel factor ETF’s apart bekeken (al ging daar meestal ook het grootste deel naar de US), maar een multifactor nog niet.
Mooi overzicht, en interessante tracker. Onze beleggingsclub heeft IBCZ al geruime tijd in portefeuille. Indien men op dit niveau wil instappen zou men toch bereid moeten zijn om de positie aan te vullen, lijkt mij.
Dank je wel voor het delen van deze waardevolle info. Ik vind een wereldindex een prima instrument voor je basisportefeuille maar het overwicht in Amerikaanse aandelen lijkt me niet altijd de beste keuze op de langere termijn.