Genoteerde aandelen dood, leve de niet-genoteerde aandelen?

BELEGGEN

Met Telenet en Exmar dreigen er opnieuw twee Belgische bedrijven de beurs te verlaten. Tegelijk wordt beleggen in niet-genoteerde aandelen, of private equity, steeds populairder. Is dat ook iets voor u?

Het statige beursgebouw in Brussel wordt omgebouwd tot een biertempel. Symbolischer kan het niet worden voor de teloorgang van de Brusselse beurs, dat nog ­amper een honderdtal genoteerde bedrijven telt. De leegloop in Brussel is opvallend fors, maar ook elders is het een trend.

Volgens Sam Desimpel, die via zijn fonds Top Tier Acces investeert in grote private equity-fondsen is er een verschuiving aan de gang: kleinere bedrijven verdwijnen steeds meer van de beurs en een beursnotering wordt steeds meer iets voor megagrote, multinationale ondernemingen. Die kiezen wel nog voor de beurs. ­­JD Peets, een conglomeraat van koffiebedrijven, oliereus Aramco of autobouwer ­Porsche zijn daarvan voorbeelden.

Op de beurs tel je als aandeel minder en minder mee als je geen beurswaarde hebt van een paar miljard euro. Desimpel: ‘Zelfs in de VS is driekwart van de bedrijven met een omzet van meer dan 100 miljoen dollar niet beursgenoteerd’.

Zware regulering

Veel heeft te maken met de almaar zwaardere regelgeving die opgelegd wordt aan beursgenoteerde bedrijven. Daaraan tegemoetkomen kost veel tijd en geld. Maar ook de partijen die in beursgenoteerde ­bedrijven beleggen, zoals beleggingsfondsen voor het grote publiek, worden in een steeds strakker keurslijf geperst. Een van de gevolgen is dat ook kleine fondsen ­verdwijnen. Precies die fondsen kunnen in kleinere aandelen beleggen. Grote fondsen kunnen dat door hun omvang steeds minder. Bovendien zien de toezichthouders er almaar strenger op toe dat fondsen te allen tijde hun beleggingen snel kunnen omzetten in cash. Zo blijven op de beurzen op den duur alleen bedrijven genre AB InBev, Engie of Microsoft overeind.

Regelgeving ter bescherming is goed, maar of de huidige aanpak nog in het ­belang is van de kleine beleggers, is zelfs geen vraag meer. Jammer genoeg beseffen de Europese of Belgische politici niet dat de beurs de bedrijven tot transparantie dwingt en de meest democratische manier is voor de niet-rijken om deel te nemen aan de vruchten van kapitaal.

Hoge instapdrempel

De private equity-sector wrijft zich wel in de handen. Zij rekenen 1,5% tot 2% ­beheerskosten op het belegde geld en een ‘fund of funds’ doet er nog eens pakweg een procent bij. Top Tier Acces van Desimpel stelt zich tevreden met 0,5 tot 0,7% aan beheerskosten.

Opgelet: de beleggers in private equity kunnen niet zomaar verkopen – hun investering is illiquide. Het tegendeel van wat de beurs moet zijn, dus.

Fondsen in private equity hebben looptijden van zo’n tien jaar. Maar de hoge ­instapdrempel van pakweg 500.000 euro, of meer, is het echte struikelblok. Tot vandaag is private equity dus voorbestemd voor professionele investeerders en ‘family offices’ van vermogende families. Al is er een trend naar lagere instapdrempels. Maar ook hier staat de regelgeving en binnenkort wellicht ook de fiscale behandeling een democratisering in de weg.

De instap verlagen is expliciet een van de doelen van een nieuw private equity-fonds, genaamd Private Acces. Oprichters zijn Koen Steeland, voormalig family ­officer van zakenman Christian Dumoulin, Piet Van Waes en Joachim Depuydt (van het private equity platform Tilleghem). Zij haalden al 30 miljoen euro op bij vier ­vermogende families en zetten de drempel nu op 250.000 euro. Ook bij Top Tier Acces kunt u terecht met 250.000 euro.

‘Deze instapdrempel ligt gevoelig lager dan de marktpraktijk’, zegt Jan Longeval, die in de adviesraad van Private Acces ­zetelt. Longeval nam in zijn boek ‘God ­dobbelt niet op de beurs’ de teleurstellende rendementen van vele professionele en particuliere beleggers op de korrel. Hij ­gelooft zelfs dat private equity van zijn ­nadeel, de beperkte verhandelbaarheid, een voordeel kan maken.

‘Vele beleggers ­laten zich uit hun lood slaan door dalende koersen, of kunnen niet om met volatiele koersen’, poneert Longeval. ‘Met private equity moeten de beleggers hun investeringen sowieso op lange termijn laten rijpen.’

Rendement: 13,4% per jaar

Dat private equity zo populair is – sommigen spreken van een hype – heeft ook te maken met de hoge rendementen. Volgens de Private Equity-index van Cambridge ­Associates leverden Amerikaanse fondsen in private equity de voorbij 25 jaar een jaarlijks rendement op van 13,4%, versus 9,5% voor de S&P-500, de beursindex met de 500 grootste genoteerde Amerikaanse bedrijven.

Helemaal vergelijkbaar zijn ze niet, want bij private equity gaat het vooral over management buy-outs en over groeibedrijven uit (vooral) de techsector.

Koen Steeland: ‘Bij beursgenoteerde ­bedrijven is het de onderneming zelf, en dus de bestaande aandeelhouders, die een beroep doen op nieuwe beleggers. Bovendien wordt het rendement op de beurs ­berekend via de beurskoersen en de dividenden, terwijl bij private equity louter ­gekeken wordt naar de netto cash die de ­investeerder als belegger ontvangt. Bij een investeringshorizon van tien jaar steekt de belegger er pakweg vijf jaar geld in, om dan vijf jaar te oogsten. Dat is anders dan bij een belegging op de beurs, waar de belegger direct volledig instapt en meestal door aankoop bij een andere belegger.’

Nieuw: Europese ELTIF’s

Al jaren geleden lanceerde de Europese Unie een nieuw soort fonds voor private equity: de zogenaamde ELTIF-fondsen, wat staat voor European Long Term Investment Funds. Bedoeling is dat die ook openstaan voor kleine beleggers.

Het verschil met de gewone beleggingsfondsen (UCITS) is dat de belegger zijn geld niet eender wanneer kan terugvragen. Een ELTIF moet 70% van de middelen (rechtstreeks) investeren in sectoren of projecten die nood hebben aan langetermijnfinanciering: infrastructuur, vastgoed of kleine bedrijven. Tot nu kwam ELTIF nauwelijks van de grond, omdat de regel­geving en de fiscaliteit onvoldoende aantrekkelijk waren, maar daar belooft de EU nu iets aan doen. In mei zou er een aangepast voorstel komen.

In België valt de juridische en fiscale structuur van private equityfondsen onder de benaming Private Privaks. Onlangs raakte bekend dat de federale minister van Financiën, Vincent Van Peteghem (CD&V), voorstelt dat de Belgische Private Privaks een belasting op meerwaarden en 30% ­roerende voorheffing moeten betalen. ­Tenzij ze voor meer dan 2,5 miljoen euro belegd hebben in een bedrijf, of er een ­participatie van 10% van bezitten. Dat kan de drempel alleen nog maar hoger leggen.

Responses